EÊn werkwoord per zin
Typ de zin en zet === op de plek waar het werkwoord ingevuld moet worden. Vul daarna het juiste antwoord en het hele werkwoord (infinitief) in.
Zin: De hond === hard door het park.
Antwoord: rent
Werkwoord: rennen
Twee werkwoorden per zin
Sommige zinnen hebben twee invulplekken, bijvoorbeeld bij de voltooide tijd. Zet dan twee keer === in de zin. Scheid de antwoorden met een | (pipe-teken) en de werkwoorden met een - (streepje).
Zin: De fabriek === de nieuwe machine ===.
Antwoord: heeft | gekocht
Werkwoord: hebben - kopen
Het eerste antwoord ("heeft") komt op de plaats van de eerste ===, het tweede ("gekocht") op de plaats van de tweede.
Wat verschijnt er op het werkblad?
Op het vragenblad wordt elke === een stippellijn waar de leerling het antwoord moet invullen. Het hele werkwoord verschijnt cursief achter de zin als hint.
Op het antwoordblad staan de juiste antwoorden ingevuld op de stippellijnen.
Tips
Wissel af met verschillende personen: ik, jij, hij/zij, wij, jullie, zij (meervoud), u.
Maak de zinnen wat langer en gebruik bijzinnen â dat maakt het oefenen realistischer.
De hint is optioneel en verschijnt niet op het werkblad. Gebruik dit veld voor eigen notities.